Eenzaamheid bij jonge mantelzorgers
Kerncijfers
Meer dan een op vijf jonge mantelzorgers voelt zich eenzaam in 2022, dit is aanzienlijk meer dan bij jonge niet-mantelzorgers.
In 2022 voelt 22,9% van de jonge mantelzorgers zich meestal of altijd eenzaam. Dit is 10 procentpunten meer dan jongeren die geen jonge mantelzorger zijn, van hen voelde 13,1% zich meestal of altijd eenzaam.
Vooral meisjes, jonge mantelzorgers uit het kso/tso en uit een ander gezinstype dan een moeder-vadergezin voelen zich vaak eenzaam
Zich eenzaam voelen bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken.
Er is een groot verschil in algemene eenzaamheidsgevoelens tussen meisjes en jongens die jonge mantelzorger zijn: 14,5% van de jongens voelt zich meestal of altijd eenzaam, bij de meisjes is dat dubbel zoveel (30,1%). Wat betreft leeftijd, valt op dat de jongste groep zich minder vaak eenzaam voelt dan de twee oudste groepen: 17,3% bij de 11-12-jarigen en respectievelijk 26,7% en 24,9% bij de 15-16-jarigen en de 17-18-jarigen. Jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst van de tweede generatie (26,4%) voelen zich vaker eenzaam dan jonge mantelzorgers met een Belgische herkomst (21,6%). Voor wat onderwijstype betreft valt op dat significant meer jongeren uit het kso/tso (29,7%) zich eenzaam voelen dan jongeren uit het aso (22,7%). Voorts zien we dat wanneer een of beide ouders uit het gezin van de jonge mantelzorger niet werkt (27,4%), deze zich vaker eenzaam voelt dan wanneer beide ouders werken (21%). Ook voelen minder jonge mantelzorgers uit een moeder-vadergezin (20,3%) zich eenzaam dan jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype (29,2%). Tot slot voelen meer jonge mantelzorgers die thuis meer taken opnemen (27,8%) zich eenzaam dan jonge mantelzorgers die thuis minder taken opnemen (21%).
In 2022 voelen bijna dubbel zoveel jonge mantelzorgers zich sociaal eenzaam dan jonge niet-mantelzorgers
In 2022 voelt 14,5% van de jonge mantelzorgers zich sociaal eenzaam. Bij jonge niet-mantelzorgers bedraagt dit percentage 7,6%.
Sociale eenzaamheid komt vaker voor bij meisjes, jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype dan een moeder-vadergezin en jonge mantelzorgers die thuis meer taken opnemen
Zich sociaal eenzaam voelen bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken.
Er is een groot verschil in sociale eenzaamheid bij meisjes en jongens die jonge mantelzorger zijn: 8,4% van de jongens voelt zich sociaal eenzaam, bij de meisjes is dat meer dan dubbel zoveel: een op vijf voelt zich sociaal eenzaam (19,9%). Wat betreft leeftijd, valt opnieuw op dat de jongste groep zich minder vaak sociaal eenzaam voelt dan de twee oudste groepen: 10,7% bij de 11-12-jarigen en respectievelijk 16,4% en 16,8% bij de 15-16-jarigen en de 17-18-jarigen. Voorts zien we dat minder jonge mantelzorgers uit een moeder-vader gezin (12,7%) zich sociaal eenzaam voelen dan jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype (18,2%). Tot slot voelen meer jonge mantelzorgers die thuis meer taken opnemen (17,1%) zich sociaal eenzaam dan jonge mantelzorgers die thuis minder taken opnemen (13,5%). De verschillen naar herkomst van de jonge mantelzorgers en naar of de ouders al dan niet werken zijn niet significant.
Jonge mantelzorgers voelen zich vaker emotioneel eenzaam dan jonge niet-mantelzorgers in 2022
In 2022 voelt 14,9% van de jonge mantelzorgers zich emotioneel eenzaam. Bij jonge niet-mantelzorgers bedraagt dit percentage 8,9%.
Emotionele eenzaamheid komt vaker voor bij meisjes, jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst en zij die in een ander gezinstype leven dan een moeder-vadergezin
Zich emotioneel eenzaam voelen bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken.
Tot slot is er ook een groot verschil in emotionele eenzaamheid bij meisjes en jongens die jonge mantelzorger zijn: een op tien van de jongens (10%) voelt zich emotioneel eenzaam, bij de meisjes is dat bijna twee op tien (19,2%). Jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst (zowel van de eerste als van de tweede generatie, respectievelijk 18,5% en 18,6%) zijn vaker emotioneel eenzaam dan jonge mantelzorgers met een Belgische herkomst (13,4%). Voorts zien we dat minder jonge mantelzorgers uit een moeder-vader gezin (13,5%) zich emotioneel eenzaam voelen dan jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype (18,2%). Tot slot voelen meer jonge mantelzorgers die thuis meer taken opnemen (17,4%) zich emotioneel eenzaam dan jonge mantelzorgers die thuis minder taken opnemen (14,1%). De verschillen naar leeftijd en of de ouders al dan niet werken zijn niet significant.
Achtergrondinfo
Bron
De cijfers zijn gebaseerd op de studie Jongeren en Gezondheid die uitgevoerd wordt door de onderzoeksgroep Gezondheidsbevordering van de vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan Universiteit Gent met steun van de Vlaamse Overheid (Departement Zorg). De studie kadert binnen de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey. Dit is een internationaal onderzoeksnetwerk bestaande uit onderzoekers van 49 Europese en Noord-Amerikaanse landen en regio’s die vierjaarlijks peilen naar de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de sociale omgevingen van 11-, 13- en 15-jarige jongeren. In Vlaanderen wordt deze leeftijdsrange uitgebreid en wordt een representatieve steekproef van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs bevraagd. De bevraging gebeurt via een gevalideerde vragenlijst die op school wordt afgenomen. Diverse thema’s komen aan bod zoals de demografische en de sociale context, het mentaal en het subjectief welbevinden, de fysieke activiteit en het sedentair gedrag, het gebruik van tabak, alcohol en drugs en dergelijke meer. In overeenstemming met het internationale studieprotocol, verloopt de bevraging in elk deelnemend land en bij elke nieuwe bevraging volgens een gestandaardiseerde methodologie en met eenzelfde vragenlijst. Hierdoor is het mogelijk om de bevindingen internationaal te vergelijken alsook om evoluties te monitoren (Roberts et al., 2009). Gezien het representatieve karakter van de studie Jongeren en Gezondheid, laat het ons toe een betrouwbare schatting te maken van het aantal mantelzorgers in de leeftijdsgroep van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs. De netto steekproef in Vlaanderen bestaat in 2018 en 2022 respectievelijk uit 11.035 en 20.154 jongeren.
Definitie & berekening
De inschatting van algemene eenzaamheid is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst uit 2022:
- In de voorbije 12 maanden, hoe vaak heb je je eenzaam gevoeld?
Antwoordmogelijkheden: Nooit, zelden, soms, meestal, altijd.
Voor de analyses werden de scores ‘meestal’ en ‘altijd’ opgeteld.
De inschatting van sociale eenzaamheid is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst uit 2022:
- Hoe vaak heb je je in de voorbije 12 maanden gevoeld zoals beschreven wordt in de volgende uitspraken:
- Ik voel me geïsoleerd van anderen.
- Ik voel me buitengesloten.
Antwoordmogelijkheden: Nooit, zelden, soms, meestal, altijd.
In navolging van Schrijvers, Dierckens en Deforche (2023) werd een somscore berekend en de jongeren met een score van 5 tot 8 beschouwd als jongeren die zich sociaal eenzaam voelen. (Zie: Schrijvers, K., Dierckens, M. & Deforche B. (2023). Studie Jongeren en Gezondheid, Mentaal, sociaal en fysiek welzijn [Factsheet]. Opgehaald van: https://www.jongeren-en-gezondheid.ugent.be/wordpress/wp-content/uploads/2023/08/3_Factsheet_MentaalSociaalFysiekWelzijn.pdf.)
De inschatting van emotionele eenzaamheid is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst uit 2022:
- Hoe vaak heb je je in de voorbije 12 maanden gevoeld zoals beschreven wordt in de volgende uitspraken:
- Ik heb een gebrek aan gezelschap.
- Ik heb niet langer een hechte band met iemand.
Antwoordmogelijkheden: Nooit, zelden, soms, meestal, altijd.
In navolging van Schrijvers, Dierckens en Deforche (2023) werd een somscore berekend en de jongeren met een score van 5 tot 8 beschouwd als jongeren die zich emotioneel eenzaam voelen.(Zie: Schrijvers, K., Dierckens, M. & Deforche B. (2023). Studie Jongeren en Gezondheid, Mentaal, sociaal en fysiek welzijn [Factsheet]. Opgehaald van: https://www.jongeren-en-gezondheid.ugent.be/wordpress/wp-content/uploads/2023/08/3_Factsheet_MentaalSociaalFysiekWelzijn.pdf.)
Het jonge mantelzorger zijn, is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- Is er iemand bij jou thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) die langer dan drie maanden lichamelijk en/of psychisch ziek of gehandicapt is? Voorbeelden van ziektes en handicaps zijn: kanker, suikerziekte, hartziekte, depressie, verslaving, autisme, verstandelijke beperking. Geef voor de onderstaande personen bij jou thuis aan of er bij hen sprake is van een ziekte of handicap: ikzelf, mijn vader/ moeder, mijn opa/oma die bij ons inwoont, mijn broer/zus, iemand anders die bij ons thuis woont.
Antwoordmogelijkheden: ja, neen.
Om in te schatten welke jongeren jonge mantelzorger zijn werd geen rekening gehouden met de antwoordcategorie ‘ikzelf’. Wanneer bij minstens één van de overige antwoordmogelijkheden ‘ja’ werd aangekruist werd aangenomen dat de jongere een jonge mantelzorger is.
Het geslacht is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- ‘Ben je een jongen of een meisje?’
Antwoordmogelijkheden: jongen, meisje.
De leeftijd is het tijdstip van de bevraging (jaar en maand) min het tijdstip van geboorte van de jongere (jaar en maand). De leeftijd is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Welke maand is het vandaag?
Antwoordmogelijkheden: februari, maart, april, mei, juni. - In welke maand ben je geboren?
Antwoordmogelijkheden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december. - In welk jaar ben je geboren?
Voor het indelen in leeftijdsgroepen werd aangenomen dat een jongere hoogstens zes maanden van een bepaalde leeftijd afwijkt.
Het bepalen van herkomst is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- In welk land ben je geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … - In welk land is je moeder (of de partner van je vader) geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … - In welk land is je vader (of de partner van je moeder) geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): …
Op basis van de antwoorden op deze vragen werden drie groepen onderscheiden:
- ‘Belgische herkomst’: de jongere zelf en beide ouders zijn in België geboren.
- 'eerste generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in het buitenland geboren.
- 'tweede generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in België geboren en één of beide ouders zijn in het buitenland geboren.
De onderwijsvorm werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- Welke onderwijsvorm volg je?
Antwoordmogelijkheden: A-stroom, B-stroom, Algemeen secundair onderwijs (aso), Kunst secundair onderwijs (kso), Technisch secundair onderwijs (tso), Beroeps secundair onderwijs (bso).
Jongeren uit het lager onderwijs werden via een afzonderlijke vragenlijst bevraagd en vormen een groep die bij het weergeven van de resultaten bijkomend wordt onderscheiden. Voor de analyses werd het kunst secundair onderwijs (kso) en het technisch secundair onderwijs (tso) samengenomen.
Het werken van de ouders werd bepaald op basis van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Heeft jouw vader (of de partner van je moeder) werk?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit. - Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk? Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit.
Voor het weergeven van de resultaten werd enkel rekening gehouden met de ‘ja’ en ‘neen’ antwoorden. Er werden twee groepen onderscheiden: ‘vader en moeder werken’ en ‘één of beide ouders werken niet’.
Het gezinstype werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- ‘Vul deze vraag in voor het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt en duid de mensen aan die daar leven. Je mag meerdere antwoorden aanduiden.’
Antwoordmogelijkheden: moeder, vader, partner van vader, partner van moeder, pleegezin of opvangtehuis, bij iemand of ergens anders (bv. broer/zus of grootouders). Voor de analyses werden jongeren die wonen bij hun moeder en vader ondergebracht in de groep ‘moeder-vadergezin’. De overige gezinssituaties werden ondergebracht in ‘ander gezinstype’.
Binnen de groep jonge mantelzorgers werd onderscheid gemaakt tussen jonge mantelzorgers die minder en meer dan 4u thuis wekelijks taken opnemen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Heb je thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) taken en verantwoordelijkheden, zoals schoonmaken van het huis, een broer of zus helpen bij huiswerk of zorgen voor een ziek familielid?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen.
Als het antwoord op deze vraag ‘ja’ is, dan moet de volgende vraag beantwoord worden: - Gelieve in te schatten hoeveel uren per week je in de voorbije maand besteed hebt aan taken thuis.
Antwoordmogelijkheden: minder dan 1 uur, ongeveer 1 uur, ongeveer 2 tot 3 uur, ongeveer 4 tot 5 uur, ongeveer 6 tot 7 uur, ongeveer 8 uur of meer.
Een onderscheid wordt gemaakt tussen jonge mantelzorgers die thuis veel helpen (minstens vier uur per week) en jonge mantelzorgers die thuis niet of weinig meehelpen (minder dan vier uur per week).
Interpretatie van de resultaten
De weergegeven cijfers zijn schattingen van populatiepercentages op basis van surveydata. Omdat elke schatting onderhevig is aan steekproefonzekerheid, wordt bij elk percentage een 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven. Dit interval geeft de marge aan waarbinnen het werkelijke populatiepercentage met grote waarschijnlijkheid ligt. In de figuren is dit betrouwbaarheidsinterval grijs aangeduid rond elk schattingscijfer.
De cijfers zijn gewogen om mogelijke onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in de steekproef te corrigeren. Bij deze weging werd rekening gehouden met geslacht, leerjaar en onderwijsvorm. Daardoor sluiten de resultaten beter aan bij de samenstelling van de Vlaamse jongerenpopulatie waarop de cijfers betrekking hebben.