Lichaamsbeweging bij jonge mantelzorgers
Kerncijfers
Jonge mantelzorgers doen in 2022 meer aan lichaamsbeweging dan in 2018, maar nog steeds minder dan jonge niet-mantelzorgers
In 2022 zegt 72,9% van de jonge mantelzorgers dat ze meerdere keren per week aan sport of bewegingsoefeningen doen. Dit is significant meer dan in 2018, toen dat percentage 68,2% bedroeg. Net als in 2018 zien we in 2022 dat jonge mantelzorgers minder vaak aan lichaamsbeweging doen dan jonge niet-mantelzorgers (72,9% versus 78,7%). (Hoewel het verschil in lichaamsbeweging tussen 2018 en 2022 statistisch significant is, moeten deze verschillen voorzichtig geïnterpreteerd worden. De vraagformulering verschilde licht tussen 2018 en 2022, waardoor (een deel van) het verschil mogelijk mee verklaard wordt door verschillen in meetwijze (zie achtergrondinfo - metadata).)
Vooral de jongste groep jonge mantelzorgers en jongens doen vaker aan lichaamsbeweging
Lichaamsbeweging bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken.
Jongens (81,6%) die jonge mantelzorger zijn bewegen veel vaker dan meisjes (65,4%) die jonge mantelzorger zijn. Ook naar leeftijd zijn er grote verschillen: hoe ouder de jonge mantelzorgers zijn, hoe minder vaak ze aan lichaamsbeweging doen. Voor de 11-12-jarigen is dat nog 81,2%, terwijl slechts 64,2% van de 17-18-jarige jonge mantelzorgers meerdere keren per week beweegt. Voorts zien we dat jonge mantelzorgers met een Belgische herkomst (74,9%) vaker aan lichaamsbeweging doen dan jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst (respectievelijk 65,9% voor de eerste en 70,6% voor de tweede generatie). Wat betreft de onderwijsvorm valt voornamelijk op dat jonge mantelzorgers uit het bso (62,1%) significant minder aan sport of bewegingsoefeningen doen dan jonge mantelzorgers uit andere onderwijsvormen. Jonge mantelzorgers waarvan beide ouders werken (75,6%) bewegen vaker dan jonge mantelzorgers waarvan één of beide ouders niet werken (65,6%). Tot slot bewegen jonge mantelzorgers uit een moeder-vadergezin (75,1%) vaker dan jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype (67,3%). Het verschil naar de hoeveelheid taken die jonge mantelzorgers thuis opnemen is niet significant.
Achtergrondinfo
Bron
De cijfers zijn gebaseerd op de studie Jongeren en Gezondheid die uitgevoerd wordt door de onderzoeksgroep Gezondheidsbevordering van de vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan Universiteit Gent met steun van de Vlaamse Overheid (Departement Zorg). De studie kadert binnen de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey. Dit is een internationaal onderzoeksnetwerk bestaande uit onderzoekers van 49 Europese en Noord-Amerikaanse landen en regio’s die vierjaarlijks peilen naar de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de sociale omgevingen van 11-, 13- en 15-jarige jongeren. In Vlaanderen wordt deze leeftijdsrange uitgebreid en wordt een representatieve steekproef van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs bevraagd. De bevraging gebeurt via een gevalideerde vragenlijst die op school wordt afgenomen. Diverse thema’s komen aan bod zoals de demografische en de sociale context, het mentaal en het subjectief welbevinden, de fysieke activiteit en het sedentair gedrag, het gebruik van tabak, alcohol en drugs en dergelijke meer. In overeenstemming met het internationale studieprotocol, verloopt de bevraging in elk deelnemend land en bij elke nieuwe bevraging volgens een gestandaardiseerde methodologie en met eenzelfde vragenlijst. Hierdoor is het mogelijk om de bevindingen internationaal te vergelijken alsook om evoluties te monitoren (Roberts et al., 2009). Gezien het representatieve karakter van de studie Jongeren en Gezondheid, laat het ons toe een betrouwbare schatting te maken van het aantal mantelzorgers in de leeftijdsgroep van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs. De netto steekproef in Vlaanderen bestaat in 2018 en 2022 respectievelijk uit 11.035 en 20.154 jongeren.
Definitie & berekening
De lichaamsbeweging werd gemeten via volgende vragen:
- 2022: Buiten de schooluren: hoe vaak doe je gewoonlijk aan sport of bewegingsoefeningen in je vrije tijd, in die mate dat je buiten adem of bezweet bent? Antwoordmogelijkheden: Elke dag, 4 tot 6 keer per week, 3 keer per week, 2 keer per week, 1 keer per week, 1 keer per maand, minder dan 1 keer per maand, nooit.
- 2018: Buiten de schooluren: hoe vaak doe je gewoonlijk aan sport of lichaamsoefeningen in je vrije tijd, in zulke mate dat je buiten adem of bezweet bent? Antwoordmogelijkheden: Elke dag, 4 tot 6 keer per week, 2 tot 3 keer per week, één keer per week, één keer per maand, minder dan één keer per maand, nooit.
Voor de analyses werden volgende categorieën uit 2018 samengenomen als maat voor meer dan wekelijks sport of bewegingsoefeningen: ‘elke dag’, ‘4 tot 6 keer per week’ en ‘2 tot 3 keer per week’. Voor 2022 gaat het om de categorieën ‘elke dag’, ‘4 tot 6 keer per week’, ‘3 keer per week’ en ‘2 keer per week’ die samengenomen werden.
Het jonge mantelzorger zijn, is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- Is er iemand bij jou thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) die langer dan drie maanden lichamelijk en/of psychisch ziek of gehandicapt is? Voorbeelden van ziektes en handicaps zijn: kanker, suikerziekte, hartziekte, depressie, verslaving, autisme, verstandelijke beperking. Geef voor de onderstaande personen bij jou thuis aan of er bij hen sprake is van een ziekte of handicap: ikzelf, mijn vader/ moeder, mijn opa/oma die bij ons inwoont, mijn broer/zus, iemand anders die bij ons thuis woont.
Antwoordmogelijkheden: ja, neen.
Om in te schatten welke jongeren jonge mantelzorger zijn werd geen rekening gehouden met de antwoordcategorie ‘ikzelf’. Wanneer bij minstens één van de overige antwoordmogelijkheden ‘ja’ werd aangekruist werd aangenomen dat de jongere een jonge mantelzorger is.
Het geslacht is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- ‘Ben je een jongen of een meisje?’
Antwoordmogelijkheden: jongen, meisje.
De leeftijd is het tijdstip van de bevraging (jaar en maand) min het tijdstip van geboorte van de jongere (jaar en maand). De leeftijd is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Welke maand is het vandaag?
Antwoordmogelijkheden: februari, maart, april, mei, juni. - In welke maand ben je geboren?
Antwoordmogelijkheden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december. - In welk jaar ben je geboren?
Voor het indelen in leeftijdsgroepen werd aangenomen dat een jongere hoogstens zes maanden van een bepaalde leeftijd afwijkt.
Het bepalen van herkomst is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- In welk land ben je geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … - In welk land is je moeder (of de partner van je vader) geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … - In welk land is je vader (of de partner van je moeder) geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): …
Op basis van de antwoorden op deze vragen werden drie groepen onderscheiden:
- ‘Belgische herkomst’: de jongere zelf en beide ouders zijn in België geboren.
- 'eerste generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in het buitenland geboren.
- 'tweede generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in België geboren en één of beide ouders zijn in het buitenland geboren.
De onderwijsvorm werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- Welke onderwijsvorm volg je?
Antwoordmogelijkheden: A-stroom, B-stroom, Algemeen secundair onderwijs (aso), Kunst secundair onderwijs (kso), Technisch secundair onderwijs (tso), Beroeps secundair onderwijs (bso).
Jongeren uit het lager onderwijs werden via een afzonderlijke vragenlijst bevraagd en vormen een groep die bij het weergeven van de resultaten bijkomend wordt onderscheiden. Voor de analyses werd het kunst secundair onderwijs (kso) en het technisch secundair onderwijs (tso) samengenomen.
Het werken van de ouders werd bepaald op basis van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Heeft jouw vader (of de partner van je moeder) werk?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit. - Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk? Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit.
Voor het weergeven van de resultaten werd enkel rekening gehouden met de ‘ja’ en ‘neen’ antwoorden. Er werden twee groepen onderscheiden: ‘vader en moeder werken’ en ‘één of beide ouders werken niet’.
Het gezinstype werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- ‘Vul deze vraag in voor het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt en duid de mensen aan die daar leven. Je mag meerdere antwoorden aanduiden.’
Antwoordmogelijkheden: moeder, vader, partner van vader, partner van moeder, pleegezin of opvangtehuis, bij iemand of ergens anders (bv. broer/zus of grootouders). Voor de analyses werden jongeren die wonen bij hun moeder en vader ondergebracht in de groep ‘moeder-vadergezin’. De overige gezinssituaties werden ondergebracht in ‘ander gezinstype’.
Binnen de groep jonge mantelzorgers werd onderscheid gemaakt tussen jonge mantelzorgers die minder en meer dan 4u thuis wekelijks taken opnemen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Heb je thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) taken en verantwoordelijkheden, zoals schoonmaken van het huis, een broer of zus helpen bij huiswerk of zorgen voor een ziek familielid?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen.
Als het antwoord op deze vraag ‘ja’ is, dan moet de volgende vraag beantwoord worden: - Gelieve in te schatten hoeveel uren per week je in de voorbije maand besteed hebt aan taken thuis.
Antwoordmogelijkheden: minder dan 1 uur, ongeveer 1 uur, ongeveer 2 tot 3 uur, ongeveer 4 tot 5 uur, ongeveer 6 tot 7 uur, ongeveer 8 uur of meer.
Een onderscheid wordt gemaakt tussen jonge mantelzorgers die thuis veel helpen (minstens vier uur per week) en jonge mantelzorgers die thuis niet of weinig meehelpen (minder dan vier uur per week).
Het percentage 11- tot 18-jarige jonge mantelzorgers werd berekend op basis van de jongeren in de dataset die tot deze leeftijdsgroep behoren. Binnen deze selectie werd het aandeel jongeren bepaald dat volgens de gehanteerde definitie als jonge mantelzorger wordt beschouwd. Om dit percentage om te zetten naar een absoluut aantal jonge mantelzorgers in Vlaanderen, werd het percentage vermenigvuldigd met het totale aantal Vlaamse jongeren van 11 tot 18 jaar in het overeenkomstige jaar.
Interpretatie van de resultaten
De weergegeven cijfers zijn schattingen van populatiepercentages op basis van surveydata. Omdat elke schatting onderhevig is aan steekproefonzekerheid, wordt bij elk percentage een 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven. Dit interval geeft de marge aan waarbinnen het werkelijke populatiepercentage met grote waarschijnlijkheid ligt. In de figuren is dit betrouwbaarheidsinterval grijs aangeduid rond elk schattingscijfer.
De cijfers zijn gewogen om mogelijke onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in de steekproef te corrigeren. Bij deze weging werd rekening gehouden met geslacht, leerjaar en onderwijsvorm. Daardoor sluiten de resultaten beter aan bij de samenstelling van de Vlaamse jongerenpopulatie waarop de cijfers betrekking hebben.