Onderzoek, cijfers en innovatie

Materiële welvaart van jonge mantelzorgers

Kerncijfers

Kopieer sectielink

Jonge mantelzorgers groeien in vergelijking met niet-mantelzorgers of Vlaamse jongeren vaker op in gezinnen met minder materiële welvaart

Jonge mantelzorgers ervaren vaker minder materiële welvaart dan leeftijdsgenoten zonder mantelzorgrol en dan Vlaamse jongeren in het algemeen. De verschillen tussen jonge mantelzorgers en jonge niet-mantelzorgers zijn zowel in 2022 als in 2018 statistisch significant. In 2022 geeft 16,3% van de jonge mantelzorgers aan zich (helemaal) niet rijk te voelen, tegenover 9,0% van de jonge niet-mantelzorgers. Ook het verschil tussen jonge mantelzorgers en Vlaamse jongeren in het algemeen is in beide jaren significant. In 2018 ligt het aandeel jonge mantelzorgers dat zich (helemaal) niet rijk voelt hoger dan bij Vlaamse jongeren in het algemeen (18,5% tegenover 11,2%), en in 2022 blijft dat verschil bestaan (16,3% tegenover 11,1%).

Binnen de drie groepen is de evolutie tussen 2018 en 2022 niet statistisch significant. 

Hieruit blijkt dat er vooral een structureel verschil bestaat tussen groepen op vlak van materiële welvaart, eerder dan een uitgesproken verandering binnen elk van de groepen doorheen de tijd.

Op basis van de FAS-score, een maat voor het materieel-economisch gezinsprofiel, zijn er gelijklopende bevindingen. De gemiddelde FAS-score toont eveneens significante verschillen tussen jonge mantelzorgers, jonge niet-mantelzorgers en Vlaamse jongeren zowel in 2018 als in 2022. Jonge mantelzorgers (9,01) hebben in 2022 een lagere gemiddelde FAS-score dan jonge niet-mantelzorgers (9,4) en dan Vlaamse jongeren in het algemeen (9,27). Dit wijst er opnieuw op dat jonge mantelzorgers gemiddeld genomen opgroeien in gezinnen met minder materiële welvaart dan jonge niet-mantelzorgers en dan Vlaamse jongeren in het algemeen. Tussen 2018 en 2022 stijgt de gemiddelde FAS-score beperkt in alle groepen maar deze verschillen zijn niet statistisch significant.

Jonge mantelzorgers van wie beide ouders niet werken, die opgroeien in een ander gezinstype, van eerste generatie buitenlandse herkomst en uit de onderwijsvormen kso/tso en bso ervaren minder materiële welvaart

Binnen de groep jonge mantelzorgers ervaart 16,3% in 2022 dat diens gezin (helemaal) niet rijk is. Dit aandeel verschilt significant naar alle onderzochte achtergrondkenmerken van jonge mantelzorgers.

Meisjes voelen zich vaker (helemaal) niet rijk dan jongens (18,4% tegenover 13,9%). Op vlak van leeftijd stijgt het aandeel van 11,0% bij 11- tot 12-jarigen tot 21,6% bij 17- tot 18-jarigen. Vooral het verschil tussen de jongste en oudste leeftijdsgroep is duidelijk significant.

Daarnaast zijn er duidelijke verschillen naar herkomst. Jonge mantelzorgers van eerste generatie buitenlandse herkomst voelen zich vaker (helemaal) niet rijk (21,7%) dan jongeren van Belgische herkomst (15,0%). Voor jongeren van tweede generatie buitenlandse herkomst ligt het aandeel daar tussenin (17,6%).

Naar onderwijsvorm blijkt dat het aandeel jonge mantelzorgers dat zich (helemaal) niet rijk voelt, lager ligt in het lager onderwijs (12,0%), de a-stroom (14,4%) en het aso (12,7%), en duidelijk hoger in kso/tso (22,0%) en bso (23,3%). Voor de b-stroom ligt het percentage eveneens hoog (21,1%), maar door het bredere betrouwbaarheidsinterval is het verschil met de andere groepen niet significant.

De grootste verschillen zijn zichtbaar naar de arbeidssituatie van de ouders en het gezinstype. Wanneer beide ouders werken, voelt 11,2% van de jonge mantelzorgers zich (helemaal) niet rijk. Wanneer één of beide ouders niet werken, stijgt dat aandeel tot 29,3%. Ook jonge mantelzorgers in een ander gezinstype voelen zich duidelijk vaker (helemaal) niet rijk dan jongeren in een moeder-vadergezin (27,6% tegenover 11,8%).

Tot slot is er ook een significant verschil naar de hoeveelheid taken en verantwoordelijkheden thuis. Jonge mantelzorgers die minstens 4 uur per week thuis taken opnemen, voelen zich vaker (helemaal) niet rijk dan jonge mantelzorgers die minder dan 4 uur per week taken opnemen (20,1% tegenover 14,9%).

De FAS-score bij jonge mantelzorgers naar achtergrondkenmerken toont gelijklopende bevindingen. Jonge mantelzorgers hebben in 2022 een gemiddelde FAS-score van 9,01.  Jongens (9,1) rapporteren meer materiële welvaart dan meisjes (8,92). Bij de jongste leeftijdsgroepen ligt de FAS-score hoger dan bij de 17-18-jarige jonge mantelzorgers. Bij deze laatste groep ligt de FAS-score (8,81) het laagst van alle leeftijdsgroepen. Jonge mantelzorgers van Belgische herkomst hebben een hogere gemiddelde FAS-score (9,16) dan jonge mantelzorgers van eerste generatie buitenlandse herkomst (8,45) en jongeren van tweede generatie buitenlandse herkomst (8,82). Vooral het verschil tussen Belgische herkomst en eerste generatie buitenlandse herkomst is duidelijk. 

Naar onderwijsvorm blijkt dat jonge mantelzorgers in het aso de hoogste gemiddelde FAS-score (9,31) hebben, terwijl jongeren in de b-stroom (8,46), het bso (8,65) en kso/tso (8,80) lager scoren. Het grootste verschil is zichtbaar naar de arbeidssituatie van de ouders. Wanneer beide ouders werken, bedraagt de gemiddelde FAS-score 9,37. Wanneer één of beide ouders niet werken, ligt de score (8,12) duidelijk lager. Ook naar gezinstype is er een duidelijk verschil: jonge mantelzorgers in een moeder-vadergezin hebben een hogere FAS-score (9,32) dan jongeren in een ander gezinstype (8,28). De verschillen in FAS-score naar taakintensiteit zijn niet significant.

Achtergrondinfo

Kopieer sectielink

Bron 

De cijfers zijn gebaseerd op de studie Jongeren en Gezondheid die uitgevoerd wordt door de onderzoeksgroep Gezondheidsbevordering van de vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan Universiteit Gent met steun van de Vlaamse Overheid (Departement Zorg). De studie kadert binnen de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey. Dit is een internationaal onderzoeksnetwerk bestaande uit onderzoekers van 49 Europese en Noord-Amerikaanse landen en regio’s die vierjaarlijks peilen naar de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de sociale omgevingen van 11-, 13- en 15-jarige jongeren. In Vlaanderen wordt deze leeftijdsrange uitgebreid en wordt een representatieve steekproef van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs bevraagd. De bevraging gebeurt via een gevalideerde vragenlijst die op school wordt afgenomen. Diverse thema’s komen aan bod zoals de demografische en de sociale context, het mentaal en het subjectief welbevinden, de fysieke activiteit en het sedentair gedrag, het gebruik van tabak, alcohol en drugs en dergelijke meer. In overeenstemming met het internationale studieprotocol, verloopt de bevraging in elk deelnemend land en bij elke nieuwe bevraging volgens een gestandaardiseerde methodologie en met eenzelfde vragenlijst. Hierdoor is het mogelijk om de bevindingen internationaal te vergelijken alsook om evoluties te monitoren (Roberts et al., 2009). Gezien het representatieve karakter van de studie Jongeren en Gezondheid, laat het ons toe een betrouwbare schatting te maken van het aantal mantelzorgers in de leeftijdsgroep van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs. De netto steekproef in Vlaanderen bestaat in 2018 en 2022 respectievelijk uit 11.035 en 20.154 jongeren.

Definitie & berekening

Materieel welzijn werd op twee manieren bevraagd. 

  • Ten eerste via de vraag: hoe rijk denk je dat je gezin is?
    Antwoordmogelijkheden: zeer rijk, rijk, gemiddeld, niet erg rijk, helemaal niet rijk). 
  • Ten tweede via de Family Affluence scale die berekend wordt via een somscore (min=0, max=13) van de antwoorden op zes vragen:
    • Hebben jullie thuis een auto, bestelwagen, of vrachtwagen?
      Antwoordmogelijkheden: neen, ja, één; ja, twee of meer. 
    • Heb je een eigen slaapkamer voor jezelf
      Antwoordmogelijkheden: neen, ja
    • Hoeveel computers hebben jullie thuis?
      Antwoordmogelijkheden: geen, één, twee, meer dan twee.
    • Hebben jullie thuis een vaatwasmachine
      Antwoordmogelijkheden: neen, ja
    • Hoeveel badkamers (kamer met bad en/of douche) hebben jullie thuis?
      Antwoordmogelijkheden: geen, één, twee, meer dan twee 
    • Hoe vaak ben je samen met je gezin naar het buitenland (buiten België) op vakantie geweest gedurende het laatste jaar? 
      Antwoordmogelijkheden: helemaal niet, één keer, twee keer, meer dan twee keer. 

Een hoge FAS-score wijst op een hoge mate van materiële welvaart binnen het gezin van de jongere. 

Het jonge mantelzorger zijn, is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Is er iemand bij jou thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) die langer dan drie maanden lichamelijk en/of psychisch ziek of gehandicapt is? Voorbeelden van ziektes en handicaps zijn: kanker, suikerziekte, hartziekte, depressie, verslaving, autisme, verstandelijke beperking. Geef voor de onderstaande personen bij jou thuis aan of er bij hen sprake is van een ziekte of handicap: ikzelf, mijn vader/ moeder, mijn opa/oma die bij ons inwoont, mijn broer/zus, iemand anders die bij ons thuis woont. 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen. 

Om in te schatten welke jongeren jonge mantelzorger zijn werd geen rekening gehouden met de antwoordcategorie ‘ikzelf’. Wanneer bij minstens één van de overige antwoordmogelijkheden ‘ja’ werd aangekruist werd aangenomen dat de jongere een jonge mantelzorger is.

Het geslacht is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • ‘Ben je een jongen of een meisje?’ 
    Antwoordmogelijkheden: jongen, meisje. 

De leeftijd is het tijdstip van de bevraging (jaar en maand) min het tijdstip van geboorte van de jongere (jaar en maand). De leeftijd is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:

  • Welke maand is het vandaag? 
    Antwoordmogelijkheden: februari, maart, april, mei, juni.
  • In welke maand ben je geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december.
  • In welk jaar ben je geboren?  

Voor het indelen in leeftijdsgroepen werd aangenomen dat een jongere hoogstens zes maanden van een bepaalde leeftijd afwijkt.  

Het bepalen van herkomst is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:

  • In welk land ben je geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … 
  • In welk land is je moeder (of de partner van je vader) geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … 
  • In welk land is je vader (of de partner van je moeder) geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … 

Op basis van de antwoorden op deze vragen werden drie groepen onderscheiden: 

  • ‘Belgische herkomst’: de jongere zelf en beide ouders zijn in België geboren.
  • 'eerste generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in het buitenland geboren.
  •  'tweede generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in België geboren en één of beide ouders zijn in het buitenland geboren. 

De onderwijsvorm werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Welke onderwijsvorm volg je? 
    Antwoordmogelijkheden: A-stroom, B-stroom, Algemeen secundair onderwijs (aso), Kunst secundair onderwijs (kso), Technisch secundair onderwijs (tso), Beroeps secundair onderwijs (bso). 

Jongeren uit het lager onderwijs werden via een afzonderlijke vragenlijst bevraagd en vormen een groep die bij het weergeven van de resultaten bijkomend wordt onderscheiden. Voor de analyses werd het kunst secundair onderwijs (kso) en het technisch secundair onderwijs (tso) samengenomen.

Het werken van de ouders werd bepaald op basis van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:  

  • Heeft jouw vader (of de partner van je moeder) werk? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit. 
  • Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk? Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit. 

Voor het weergeven van de resultaten werd enkel rekening gehouden met de ‘ja’ en ‘neen’ antwoorden. Er werden twee groepen onderscheiden: ‘vader en moeder werken’ en ‘één of beide ouders werken niet’.  

Het gezinstype werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • ‘Vul deze vraag in voor het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt en duid de mensen aan die daar leven. Je mag meerdere antwoorden aanduiden.’ 
    Antwoordmogelijkheden: moeder, vader, partner van vader, partner van moeder, pleegezin of opvangtehuis, bij iemand of ergens anders (bv. broer/zus of grootouders). Voor de analyses werden jongeren die wonen bij hun moeder en vader ondergebracht in de groep ‘moeder-vadergezin’. De overige gezinssituaties werden ondergebracht in ‘ander gezinstype’. 

Binnen de groep jonge mantelzorgers werd onderscheid gemaakt tussen jonge mantelzorgers die minder en meer dan 4u thuis wekelijks taken opnemen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Heb je thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) taken en verantwoordelijkheden, zoals schoonmaken van het huis, een broer of zus helpen bij huiswerk of zorgen voor een ziek familielid? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen. 
    Als het antwoord op deze vraag ‘ja’ is, dan moet de volgende vraag beantwoord worden: 
  • Gelieve in te schatten hoeveel uren per week je in de voorbije maand besteed hebt aan taken thuis. 
    Antwoordmogelijkheden: minder dan 1 uur, ongeveer 1 uur, ongeveer 2 tot 3 uur, ongeveer 4 tot 5 uur, ongeveer 6 tot 7 uur, ongeveer 8 uur of meer. 

Een onderscheid wordt gemaakt tussen jonge mantelzorgers die thuis veel helpen (minstens vier uur per week) en jonge mantelzorgers die thuis niet of weinig meehelpen (minder dan vier uur per week).

Interpretatie van de resultaten

De weergegeven cijfers zijn schattingen van populatiepercentages op basis van surveydata. Omdat elke schatting onderhevig is aan steekproefonzekerheid, wordt bij elk percentage een 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven. Dit interval geeft de marge aan waarbinnen het werkelijke populatiepercentage met grote waarschijnlijkheid ligt. In de figuren is dit betrouwbaarheidsinterval grijs aangeduid rond elk schattingscijfer.

De cijfers zijn gewogen om mogelijke onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in de steekproef te corrigeren. Bij deze weging werd rekening gehouden met geslacht, leerjaar en onderwijsvorm. Daardoor sluiten de resultaten beter aan bij de samenstelling van de Vlaamse jongerenpopulatie waarop de cijfers betrekking hebben.