Onderzoek, cijfers en innovatie

Pesten bij jonge mantelzorgers

Kerncijfers

Kopieer sectielink

In 2022 zeggen meer jonge mantelzorgers dat zij meegedaan hebben aan het pesten van anderen op school dan in 2018

In 2022 zegt 16,5% van de jonge mantelzorgers meegedaan te hebben aan pesten van andere personen op school. Dit is significant meer dan in 2018, toen dit percentage 13,6% bedroeg. Net als in 2018 zeggen jonge mantelzorgers vaker dat zij meedoen aan pesten dan jonge niet-mantelzorgers: in 2022 zei 10,4% van deze laatste groep dat ze dat deden. Er zijn in 2022 niet significant meer jonge niet-mantelzorgers die pesten dan in 2018. 

Vooral jongens, jongere jonge mantelzorgers en zij met een buitenlandse herkomst doen mee aan pesten van andere personen op school

Het meegedaan hebben aan pesten van andere personen op school bij jonge mantelzorgers verschilt naar een aantal achtergrondkenmerken. 

Jongens (22,1%) doen bijna dubbel zo vaak mee aan pesten op school dan meisjes (11,6%). De oudste groep jonge mantelzorgers, 17-18-jarigen (12,4%), pesten minder vaak mee dan de drie jongere groepen. Jonge mantelzorgers met een Belgische herkomst (13,7%) doen minder vaak mee aan pesten dan jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst (respectievelijk 23,6% van de eerste generatie en 20,1% van de tweede generatie). Jonge mantelzorgers uit het aso (9,9%) doen significant minder vaak mee aan pesten dan de jongeren uit andere onderwijstypes. Tot slot doen zij uit een moeder-vadergezin (15,2%) ook minder vaak mee dan zij uit een ander gezinstype (19,2%). De verschillen naar of de ouders al dan niet werken en de taakopname thuis zijn niet significant. 

Meer dan een op vier jonge mantelzorgers zegt in 2022 dat zij gepest werden op school. Dit is een significante stijging in vergelijking met de situatie in 2018 

In 2022 zegt 27,1% van de jonge mantelzorgers dat ze gepest werden op school. Dit is significant meer dan in 2018 toen dat aandeel 23,5% bedroeg. Significant meer jonge mantelzorgers zeggen dat zij gepest worden op school dan jonge niet-mantelzorgers (16,8%). Ook bij de jonge niet-mantelzorgers merken we een lichte stijging op van het aandeel dat zegt gepest te worden op school: van 14,6% in  2018 naar 16,8% in 2022. 

Jongere jonge mantelzorgers, zij die in de b-stroom, het bso, kso of tso zitten en zij uit een ander gezinstype dan een moeder-vadergezin zeggen vaker te worden gepest op school

Het gepest worden op school bij jonge mantelzorgers verschilt naar een aantal achtergrondkenmerken. 

Er zijn vrij grote verschillen naar leeftijd: de jongere groepen jonge mantelzorgers zijn vaker slachtoffer van pesten dan de oudere groepen. Zo zegt 38,6% van de 11-12-jarigen dat zij worden gepest op school, van de 17-18-jarigen zegt nog 18,5% dat. Voorts zien we dat jonge mantelzorgers in de b-stroom (40%) vaker gepest worden dan in de a-stroom (27,9%). Ook in het kso/tso (22,8%) en in het bso (26,6%) zeggen meer jongeren te worden gepest dan in het aso (14,6%). Tot slot worden jonge mantelzorgers uit een moeder-vadergezin (25%) minder vaak gepest dan zij uit een ander gezinstype (31,6%). De verschillen naar geslacht, herkomst, of de ouders al dan niet werken en de taakopname thuis zijn niet significant. 

In 2022 zeggen meer jonge mantelzorgers dat zij meegedaan hebben aan het pesten via internet dan in 2018

In 2022 zegt 13,4% van de jonge mantelzorgers meegedaan te hebben aan pesten via internet. Dit is significant meer dan in 2018, toen dit percentage 7,5% bedroeg. Net als in 2018 zeggen jonge mantelzorgers vaker dat zij meedoen aan pesten via internet dan jonge niet-mantelzorgers: in 2022 zegt 7,3% van deze laatste groep dat ze dat deden. Ook voor de jonge niet-mantelzorgers betekent dat een stijging van het aandeel dat pest ten opzichte van 2018 (4,3%). 

Vooral jongens, jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst, zij uit de b-stroom of het bso en jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype dan een moeder-vadergezin pesten via het internet

Het pesten via internet bij jonge mantelzorgers verschilt naar een aantal achtergrondkenmerken. 

Jongens (16,5%) pesten vaker via het internet dan meisjes (10,7%). Wat betreft leeftijd verschillen enkel de twee oudste groepen van elkaar, de twee jongste groepen zitten daar tussen in. Van de 15-16-jarige mantelzorgers zegt 15,6% dat zij pesten via internet, van de 17-18-jarigen zegt 10,9% dat. Jonge mantelzorgers met een Belgische herkomst (10,4%) pesten minder vaak via internet dan jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst: voor de eerste generatie bedraagt het aandeel 22,1%, voor de tweede generatie 16,5%. Jonge mantelzorgers uit de b-stroom (22,2%) pesten vaker via het internet dan zij uit de a-stroom (13,2%). Jonge mantelzorgers uit het bso (18,1%) pesten ook vaker via het internet dan zij uit het aso (9,8%) en het kso/tso (12,1%). Tot slot pesten jonge mantelzorgers uit een moeder-vadergezin (11,8%) minder vaak via internet dan zij uit een ander gezinstype (17,1%). De verschillen naar of de ouders al dan niet werken en de taakopname thuis zijn niet significant. 

Bijna een op vijf jonge mantelzorgers zegt in 2022 dat zij gepest werden via internet of berichten. Dit is een significante stijging in vergelijking met 2018

In 2022 zegt 18,5% van de jonge mantelzorgers dat ze gepest worden via internet of berichten. Dit is significant meer dan in 2018 toen dat aandeel 11,6% bedroeg. Significant meer jonge mantelzorgers zeggen dat zij gepest worden via internet of berichten dan jonge niet-mantelzorgers (9,8%). Ook bij de jonge niet-mantelzorgers merken we een stijging op van het aandeel dat zegt gepest te worden via internet of berichten: van 6,5% in 2018 naar 9,8% in 2022. 

Jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst, uit een ander gezinstype dan een moeder-vadergezin, die thuis veel taken opnemen en in het bso zitten, zeggen vaker te worden gepest via internet en berichten

Het gepest worden via internet of berichten bij jonge mantelzorgers verschilt naar een aantal achtergrondkenmerken. 

Meisjes (20,2%) worden vaker gepest via internet of berichten dan jongens (16,7%). Significant minder 17-18-jarigen (14,5%) worden gepest via internet of berichten dan 11-12-jarigen (21,5%) en dan 13-14-jarigen (19,7%). Jonge mantelzorgers met een buitenlandse herkomst, zowel van de eerste (23%) als van de tweede generatie (21,8%) worden vaker gepest dan zij met een Belgische herkomst (16,7%). Jonge mantelzorgers uit het bso (21,2%) worden significant vaker gepest via internet of berichten dan jonge mantelzorgers uit het aso (13,2%). Zij uit een ander gezinstype (22,8%) dan een moeder-vadergezin (16,8%) worden vaker gepest via internet. Tot slot worden jonge mantelzorgers die thuis veel taken opnemen (21,7%) vaker gepest via het internet en berichten dan zij die thuis minder taken opnemen (17,2%). De verschillen naar of de ouders al dan niet werken zijn niet significant. 

Achtergrondinfo

Kopieer sectielink

Bron

De cijfers zijn gebaseerd op de studie Jongeren en Gezondheid die uitgevoerd wordt door de onderzoeksgroep Gezondheidsbevordering van de vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan Universiteit Gent met steun van de Vlaamse Overheid (Departement Zorg). De studie kadert binnen de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey. Dit is een internationaal onderzoeksnetwerk bestaande uit onderzoekers van 49 Europese en Noord-Amerikaanse landen en regio’s die vierjaarlijks peilen naar de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de sociale omgevingen van 11-, 13- en 15-jarige jongeren. In Vlaanderen wordt deze leeftijdsrange uitgebreid en wordt een representatieve steekproef van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs bevraagd. De bevraging gebeurt via een gevalideerde vragenlijst die op school wordt afgenomen. Diverse thema’s komen aan bod zoals de demografische en de sociale context, het mentaal en het subjectief welbevinden, de fysieke activiteit en het sedentair gedrag, het gebruik van tabak, alcohol en drugs en dergelijke meer. In overeenstemming met het internationale studieprotocol, verloopt de bevraging in elk deelnemend land en bij elke nieuwe bevraging volgens een gestandaardiseerde methodologie en met eenzelfde vragenlijst. Hierdoor is het mogelijk om de bevindingen internationaal te vergelijken alsook om evoluties te monitoren (Roberts et al., 2009). Gezien het representatieve karakter van de studie Jongeren en Gezondheid, laat het ons toe een betrouwbare schatting te maken van het aantal mantelzorgers in de leeftijdsgroep van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs. De netto steekproef in Vlaanderen bestaat in 2018 en 2022 respectievelijk uit 11.035 en 20.154 jongeren.

Definitie & berekening 

De inschatting van pesten en gepest worden is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijsten uit 2018 en 2022:

  • Hoe vaak heb je de afgelopen maanden meegedaan aan het pesten van andere personen op school? 
    Antwoordmogelijkheden: Ik heb de afgelopen maanden niemand gepest op school, het is één of twee keer gebeurd, twee of drie keer per maand, ongeveer één keer per week, verschillende keren per week.
  • Hoe vaak werd je de afgelopen maanden gepest op school? 
    Antwoordmogelijkheden: Ik werd de afgelopen maanden niet gepest op school, het is één of twee keer gebeurd, twee of drie keer per maand, ongeveer één keer per week, verschillende keren per week.
  • Hoe vaak heb je tijdens de afgelopen maanden deelgenomen aan pesten via het internet (= cyberpesten, bv. gemene chatberichten, e-mails of sms’en versturen; berichten op iemands profiel plaatsen; een website creëren om iemand belachelijk te maken; beschamende of ongepaste foto’s van iemand anders online plaatsen of met anderen delen zonder zijn/haar toestemming)?
    Antwoordmogelijkheden: Ik heb de afgelopen maanden niemand via het internet gepest, het is één of twee keer gebeurd, twee of drie keer per maand, ongeveer één keer per week, verschillende keren per week.
  • Hoe vaak werd je in de afgelopen maanden via het internet of berichten gepest (= cyberpesten, bv. iemand stuurde gemene chatberichten, e-mails of sms’en; iemand plaatste berichten op je profiel; creëerde een website om jou belachelijk te maken; plaatste beschamende foto’s van jou online of deelde ze met anderen zonder jouw toestemming)?
    Antwoordmogelijkheden: Ik werd de afgelopen maanden niet via het internet gepest, het is één of twee keer gebeurd, twee of drie keer per maand, ongeveer één keer per week, verschillende keren per week.

Bij de resultaatrapportering werden de vier laatste antwoordcategorieën steeds samengenomen. 

Het jonge mantelzorger zijn, is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Is er iemand bij jou thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) die langer dan drie maanden lichamelijk en/of psychisch ziek of gehandicapt is? Voorbeelden van ziektes en handicaps zijn: kanker, suikerziekte, hartziekte, depressie, verslaving, autisme, verstandelijke beperking. Geef voor de onderstaande personen bij jou thuis aan of er bij hen sprake is van een ziekte of handicap: ikzelf, mijn vader/ moeder, mijn opa/oma die bij ons inwoont, mijn broer/zus, iemand anders die bij ons thuis woont. 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen. Om in te schatten welke jongeren jonge mantelzorger zijn werd geen rekening gehouden met de antwoordcategorie ‘ikzelf’. Wanneer bij minstens één van de overige antwoordmogelijkheden ‘ja’ werd aangekruist werd aangenomen dat de jongere een jonge mantelzorger is.

Het geslacht is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • ‘Ben je een jongen of een meisje?’ 
    Antwoordmogelijkheden: jongen, meisje. 

De leeftijd is het tijdstip van de bevraging (jaar en maand) min het tijdstip van geboorte van de jongere (jaar en maand). De leeftijd is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:

  • Welke maand is het vandaag? 
    Antwoordmogelijkheden: februari, maart, april, mei, juni. 
  • In welke maand ben je geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december.
  • In welk jaar ben je geboren?  

Voor het indelen in leeftijdsgroepen werd aangenomen dat een jongere hoogstens zes maanden van een bepaalde leeftijd afwijkt.  

Het bepalen van herkomst is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:

  • In welk land ben je geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): …
  • In welk land is je moeder (of de partner van je vader) geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … 
  • In welk land is je vader (of de partner van je moeder) geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … 

Op basis van de antwoorden op deze vragen werden drie groepen onderscheiden: 

  • Belgische herkomst’: de jongere zelf en beide ouders zijn in België geboren. 
  • 'eerste generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in het buitenland geboren.
  • 'tweede generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in België geboren en één of beide ouders zijn in het buitenland geboren. 

De onderwijsvorm werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Welke onderwijsvorm volg je? 
    Antwoordmogelijkheden: A-stroom, B-stroom, Algemeen secundair onderwijs (aso), Kunst secundair onderwijs (kso), Technisch secundair onderwijs (tso), Beroeps secundair onderwijs (bso). 

Jongeren uit het lager onderwijs werden via een afzonderlijke vragenlijst bevraagd en vormen een groep die bij het weergeven van de resultaten bijkomend wordt onderscheiden. Voor de analyses werd het kunst secundair onderwijs (kso) en het technisch secundair onderwijs (tso) samengenomen.

Het werken van de ouders werd bepaald op basis van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:  

  • Heeft jouw vader (of de partner van je moeder) werk? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit.
  • Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit. 

Voor het weergeven van de resultaten werd enkel rekening gehouden met de ‘ja’ en ‘neen’ antwoorden. Er werden twee groepen onderscheiden: ‘vader en moeder werken’ en ‘één of beide ouders werken niet’.  

Het gezinstype werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • ‘Vul deze vraag in voor het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt en duid de mensen aan die daar leven. Je mag meerdere antwoorden aanduiden.’ 
    Antwoordmogelijkheden: moeder, vader, partner van vader, partner van moeder, pleegezin of opvangtehuis, bij iemand of ergens anders (bv. broer/zus of grootouders). 

Voor de analyses werden jongeren die wonen bij hun moeder en vader ondergebracht in de groep ‘moeder-vadergezin’. De overige gezinssituaties werden ondergebracht in ‘ander gezinstype’. 

Binnen de groep jonge mantelzorgers werd onderscheid gemaakt tussen jonge mantelzorgers die minder en meer dan 4u thuis wekelijks taken opnemen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Heb je thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) taken en verantwoordelijkheden, zoals schoonmaken van het huis, een broer of zus helpen bij huiswerk of zorgen voor een ziek familielid? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen. 
    Als het antwoord op deze vraag ‘ja’ is, dan moet de volgende vraag beantwoord worden: 
  • Gelieve in te schatten hoeveel uren per week je in de voorbije maand besteed hebt aan taken thuis. 
    Antwoordmogelijkheden: minder dan 1 uur, ongeveer 1 uur, ongeveer 2 tot 3 uur, ongeveer 4 tot 5 uur, ongeveer 6 tot 7 uur, ongeveer 8 uur of meer. 

Een onderscheid wordt gemaakt tussen jonge mantelzorgers die thuis veel helpen (minstens vier uur per week) en jonge mantelzorgers die thuis niet of weinig meehelpen (minder dan vier uur per week).

Interpretatie van de resultaten

De weergegeven cijfers zijn schattingen van populatiepercentages op basis van surveydata. Omdat elke schatting onderhevig is aan steekproefonzekerheid, wordt bij elk percentage een 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven. Dit interval geeft de marge aan waarbinnen het werkelijke populatiepercentage met grote waarschijnlijkheid ligt. In de figuren is dit betrouwbaarheidsinterval grijs aangeduid rond elk schattingscijfer.

De cijfers zijn gewogen om mogelijke onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in de steekproef te corrigeren. Bij deze weging werd rekening gehouden met geslacht, leerjaar en onderwijsvorm. Daardoor sluiten de resultaten beter aan bij de samenstelling van de Vlaamse jongerenpopulatie waarop de cijfers betrekking hebben.