Onderzoek, cijfers en innovatie

Subjectief welbevinden bij jonge mantelzorgers

Kerncijfers

Kopieer sectielink

Jonge mantelzorgers hebben minder vaak een hoog welzijn dan jonge niet-mantelzorgers

In 2022 heeft 61,6% van de jonge mantelzorgers een hoge mate van welzijn op de WHO welzijnindex. Dit is een significant lager aandeel dan bij jonge niet-mantelzorgers, waar 73,3% een hoge mate van welzijn heeft. 

Jonge mantelzorgers voelen zich minder vaak gelukkig dan jonge niet-mantelzorgers

In 2022 voelde 57,9% van de jonge mantelzorgers zich gelukkig. Dit is beduidend en significant minder dan bij jonge niet-mantelzorgers, van hen voelde 71,2% zich gelukkig. 

Vooral jongens en jongere jonge mantelzorgers hebben een hoog welzijn

Het hebben van een hoog welzijn bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken.

Jongens scoren veel vaker hoog op de WHO welzijnsindex dan meisjes: 75,4% van hen hebben een hoog welzijn, terwijl slechts 49,7% van de meisjes hoog scoort. Ook naar leeftijd zijn er grote verschillen: 76,7% van de 11-12-jarigen heeft een hoog welzijn, voor de 13-14-jarigen is dat nog 63,4% en voor de twee oudste groepen 55,1% en 51,8% (het verschil tussen de twee laatste groepen is niet significant). Wat betreft onderwijstype is er een significant verschil tussen jonge mantelzorgers uit het kso/tso (51,1% heeft een hoog welzijn) en het bso (59,4% heeft een hoog welzijn). Voorts hebben jonge mantelzorgers van wie vader en moeder werken vaker een hoog welzijn (64,7% versus 54,3% wanneer een van beide niet werkt), net als zij uit een moeder-vadergezin (65,7% versus 52% wanneer zij uit een ander gezinstype komen) en jonge mantelzorgers die minder dan 4 uur taken thuis opnemen thuis (62,9% versus 57% wanneer zij meer dan 4 uur taken thuis opnemen). De verschillen naar herkomst zijn niet significant.  

Vooral jongens en jongere jonge mantelzorgers voelen zich gelukkig

Zich gelukkig voelen bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken. 

Jongens (70,2%) voelen zich vaker gelukkig dan meisjes (47,4%). Ook naar leeftijd zijn er grote verschillen: 68,7% van de 11-12-jarigen voelt zich gelukkig, voor de 13-14-jarigen is dat nog 59,9% en voor de twee oudste groepen 53% en 52,2% (het verschil tussen de twee laatste groepen is niet significant). Wat betreft onderwijstype is er een significant verschil tussen jonge mantelzorgers uit het kso/tso (48,6% voelt zich gelukkig) en het aso (55,7% voelt zich gelukkig). Voorts voelen jonge mantelzorgers van wie vader en moeder werken zich vaker gelukkig (60,2% versus 53,4% wanneer een van beide niet werkt), net als zij uit een moeder-vadergezin (62,5% versus 47,5% wanneer zij uit een ander gezinstype komen) en jonge mantelzorgers die thuis minder dan 4 uur taken opnemen (59,5% versus 52,8% wanneer zij meer dan 4 uur taken thuis opnemen). De verschillen naar herkomst zijn niet significant. 

Achtergrondinfo

Kopieer sectielink

Bron

De cijfers zijn gebaseerd op de studie Jongeren en Gezondheid die uitgevoerd wordt door de onderzoeksgroep Gezondheidsbevordering van de vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan Universiteit Gent met steun van de Vlaamse Overheid (Departement Zorg). De studie kadert binnen de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey. Dit is een internationaal onderzoeksnetwerk bestaande uit onderzoekers van 49 Europese en Noord-Amerikaanse landen en regio’s die vierjaarlijks peilen naar de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de sociale omgevingen van 11-, 13- en 15-jarige jongeren. In Vlaanderen wordt deze leeftijdsrange uitgebreid en wordt een representatieve steekproef van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs bevraagd. De bevraging gebeurt via een gevalideerde vragenlijst die op school wordt afgenomen. Diverse thema’s komen aan bod zoals de demografische en de sociale context, het mentaal en het subjectief welbevinden, de fysieke activiteit en het sedentair gedrag, het gebruik van tabak, alcohol en drugs en dergelijke meer. In overeenstemming met het internationale studieprotocol, verloopt de bevraging in elk deelnemend land en bij elke nieuwe bevraging volgens een gestandaardiseerde methodologie en met eenzelfde vragenlijst. Hierdoor is het mogelijk om de bevindingen internationaal te vergelijken alsook om evoluties te monitoren (Roberts et al., 2009). Gezien het representatieve karakter van de studie Jongeren en Gezondheid, laat het ons toe een betrouwbare schatting te maken van het aantal mantelzorgers in de leeftijdsgroep van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs. De netto steekproef in Vlaanderen bestaat in 2018 en 2022 respectievelijk uit 11.035 en 20.154 jongeren.

Definitie & berekening 

De inschatting van het subjectief welzijn is gebaseerd op de welzijnsindex van de WHO en op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst uit 2022:

  • Geef voor elk van de vijf uitspraken aan wat het dichtste in de buurt komt van hoe je je de afgelopen twee weken voelde
    …voelde ik me vrolijk en goedgezind 
    …voelde ik me kalm en ontspannen 
    …voelde ik me actief en vol energie 
    …werd ik wakker met een fris en uitgerust gevoel 
    …was mijn dagelijkse leven gevuld met dingen die me interesseren 
    Antwoordmogelijkheden: Altijd, meestal, meer dan de helft van de tijd, minder dan de helft van de tijd, soms, nooit.

In navolging van Schrijvers, Dierckens en Deforche (2023) werd een gestandaardiseerde somscore berekend en werden de jongeren met een score van 51 tot 100 beschouwd als jongeren met een hoge mate van welzijn. Schrijvers, K., Dierckens, M. & Deforche B. (2023). Studie Jongeren en Gezondheid, Mentaal, sociaal en fysiek welzijn [Factsheet]. Opgehaald van: https://www.jongeren-en-gezondheid.ugent.be/wordpress/wp-content/uploads/2023/08/3_Factsheet_MentaalSociaalFysiekWelzijn.pdf. 

De inschatting van het geluksgevoel is gebaseerd op de volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst uit 2022.

  • Hoe gelukkig voel je je meestal?  
    Antwoordmogelijkheden: Heel gelukkig, gelukkig, niet gelukkig - niet ongelukkig, ongelukkig, heel ongelukkig

Voor de analyses werden de categorieën ‘heel gelukkig’ en ‘gelukkig’ samengenomen. 

Het jonge mantelzorger zijn, is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Is er iemand bij jou thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) die langer dan drie maanden lichamelijk en/of psychisch ziek of gehandicapt is? Voorbeelden van ziektes en handicaps zijn: kanker, suikerziekte, hartziekte, depressie, verslaving, autisme, verstandelijke beperking. Geef voor de onderstaande personen bij jou thuis aan of er bij hen sprake is van een ziekte of handicap: ikzelf, mijn vader/ moeder, mijn opa/oma die bij ons inwoont, mijn broer/zus, iemand anders die bij ons thuis woont. 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen. Om in te schatten welke jongeren jonge mantelzorger zijn werd geen rekening gehouden met de antwoordcategorie ‘ikzelf’. Wanneer bij minstens één van de overige antwoordmogelijkheden ‘ja’ werd aangekruist werd aangenomen dat de jongere een jonge mantelzorger is.

Het geslacht is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • ‘Ben je een jongen of een meisje?’ 
    Antwoordmogelijkheden: jongen, meisje. 

De leeftijd is het tijdstip van de bevraging (jaar en maand) min het tijdstip van geboorte van de jongere (jaar en maand). De leeftijd is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:

  • Welke maand is het vandaag? 
    Antwoordmogelijkheden: februari, maart, april, mei, juni. 
  • In welke maand ben je geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december.
  • In welk jaar ben je geboren?  

Voor het indelen in leeftijdsgroepen werd aangenomen dat een jongere hoogstens zes maanden van een bepaalde leeftijd afwijkt.  

Het bepalen van herkomst is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:

  • In welk land ben je geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): …
  • In welk land is je moeder (of de partner van je vader) geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … 
  • In welk land is je vader (of de partner van je moeder) geboren? 
    Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … 

Op basis van de antwoorden op deze vragen werden drie groepen onderscheiden: 

  • Belgische herkomst’: de jongere zelf en beide ouders zijn in België geboren. 
  • 'eerste generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in het buitenland geboren.
  • 'tweede generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in België geboren en één of beide ouders zijn in het buitenland geboren. 

De onderwijsvorm werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Welke onderwijsvorm volg je? 
    Antwoordmogelijkheden: A-stroom, B-stroom, Algemeen secundair onderwijs (aso), Kunst secundair onderwijs (kso), Technisch secundair onderwijs (tso), Beroeps secundair onderwijs (bso). 

Jongeren uit het lager onderwijs werden via een afzonderlijke vragenlijst bevraagd en vormen een groep die bij het weergeven van de resultaten bijkomend wordt onderscheiden. Voor de analyses werd het kunst secundair onderwijs (kso) en het technisch secundair onderwijs (tso) samengenomen.

Het werken van de ouders werd bepaald op basis van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:  

  • Heeft jouw vader (of de partner van je moeder) werk? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit.
  • Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit. 

Voor het weergeven van de resultaten werd enkel rekening gehouden met de ‘ja’ en ‘neen’ antwoorden. Er werden twee groepen onderscheiden: ‘vader en moeder werken’ en ‘één of beide ouders werken niet’.  

Het gezinstype werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst: 

  • ‘Vul deze vraag in voor het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt en duid de mensen aan die daar leven. Je mag meerdere antwoorden aanduiden.’ 
    Antwoordmogelijkheden: moeder, vader, partner van vader, partner van moeder, pleegezin of opvangtehuis, bij iemand of ergens anders (bv. broer/zus of grootouders). 

Voor de analyses werden jongeren die wonen bij hun moeder en vader ondergebracht in de groep ‘moeder-vadergezin’. De overige gezinssituaties werden ondergebracht in ‘ander gezinstype’. 

Binnen de groep jonge mantelzorgers werd onderscheid gemaakt tussen jonge mantelzorgers die minder en meer dan 4u thuis wekelijks taken opnemen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst: 

  • Heb je thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) taken en verantwoordelijkheden, zoals schoonmaken van het huis, een broer of zus helpen bij huiswerk of zorgen voor een ziek familielid? 
    Antwoordmogelijkheden: ja, neen. 
    Als het antwoord op deze vraag ‘ja’ is, dan moet de volgende vraag beantwoord worden: 
  • Gelieve in te schatten hoeveel uren per week je in de voorbije maand besteed hebt aan taken thuis. 
    Antwoordmogelijkheden: minder dan 1 uur, ongeveer 1 uur, ongeveer 2 tot 3 uur, ongeveer 4 tot 5 uur, ongeveer 6 tot 7 uur, ongeveer 8 uur of meer. 

Een onderscheid wordt gemaakt tussen jonge mantelzorgers die thuis veel helpen (minstens vier uur per week) en jonge mantelzorgers die thuis niet of weinig meehelpen (minder dan vier uur per week).

Interpretatie van de resultaten

De weergegeven cijfers zijn schattingen van populatiepercentages op basis van surveydata. Omdat elke schatting onderhevig is aan steekproefonzekerheid, wordt bij elk percentage een 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven. Dit interval geeft de marge aan waarbinnen het werkelijke populatiepercentage met grote waarschijnlijkheid ligt. In de figuren is dit betrouwbaarheidsinterval grijs aangeduid rond elk schattingscijfer.

De cijfers zijn gewogen om mogelijke onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in de steekproef te corrigeren. Bij deze weging werd rekening gehouden met geslacht, leerjaar en onderwijsvorm. Daardoor sluiten de resultaten beter aan bij de samenstelling van de Vlaamse jongerenpopulatie waarop de cijfers betrekking hebben.