Zelfdodingsgedachten en zelfbeschadiging bij jonge mantelzorgers
Kerncijfers
Bijna 1 op 3 jonge mantelzorgers heeft meerdere keren aan zelfdoding gedacht. Dit is een significante stijging ten opzichte van 2018 en meer dan jonge niet-mantelzorgers voor wie dit cijfer minder dan 1 op 5 bedraagt
In 2022 zegt 32,4% van de jonge mantelzorgers dat ze er meerdere keren over hebben gedacht om een einde aan hun leven te maken. Dit percentage ligt significant hoger dan in 2018, toen dat 26,5% bedroeg. Net als in 2018 zien we dat jonge mantelzorgers vaker aan zelfdoding denken dan jonge niet-mantelzorgers (32,4% versus 18,5%). Maar ook bij deze laatste groep zien we een stijging van het aantal zelfdodingsgedachten van 15,4% in 2018 naar 18,5% in 2022. Deze stijging is minder groot dan bij jonge mantelzorgers.
Suïcidaal en zelfbeschadigend gedrag bij jonge mantelzorgers stijgt tussen 2018 en 2022
In 2022 zegt bijna 1 op 5 van de jonge mantelzorgers dat ze meerdere keren opzettelijk te veel pillen slikte of zichzelf lichamelijk probeerde te beschadigen. Dit percentage ligt significant hoger dan in 2018, toen dat 14,5% bedroeg. Net als in 2018 zien we dat jonge mantelzorgers in 2022 vaker suïcidaal en zelfbeschadigend gedrag vertonen dan jonge niet-mantelzorgers (19,4% versus 9%).
Vooral meisjes, jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype dan een moeder-vadergezin en zij die een kso, tso of bso richting volgen hebben vaker zelfdodingsgedachten
Het hebben van zelfdodingsgedachten bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken.
Meisjes (39,2%) hebben er vaker over gedacht een einde aan hun leven te maken dan jongens (23,9%). 15 tot 18-jarige jonge mantelzorgers (35%) denken vaker aan zelfdoding dan 13-14-jarigen (25,7%). Jonge mantelzorgers uit het bso, kso of tso (38%) denken vaker aan zelfdoding dan jonge mantelzorgers uit het aso (29,8%) of de a-stroom (25,5%). Voorts zien we dat jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype (43%) veel vaker aan zelfdoding denken dan jonge mantelzorgers uit een moeder-vadergezin (27,7%). Tot slot hebben jonge mantelzorgers die thuis meer taken opnemen (36,8%) er vaker over gedacht een einde aan hun leven te maken dan jonge mantelzorgers die minder taken thuis opnemen (30,7%). De verschillen naar herkomst en of de ouders al dan niet werken, zijn niet significant.
Suïcidaal en zelfbeschadigend gedrag komt vooral vaker voor bij meisjes, bij jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype dan een moeder-vadergezin en bij jonge mantelzorgers uit het kso, tso of bso
Suïcidaal en zelfbeschadigend gedrag bij jonge mantelzorgers verschilt sterk naar een aantal achtergrondkenmerken.
Meisjes (26,5%) zeggen vaker dat ze opzettelijk te veel pillen slikten of zichzelf lichamelijk probeerden te beschadigen dan jongens (10,5%). 15-16-jarigen (22,5%) vertonen dit gedrag ook vaker dan de andere onderzochte leeftijdsgroepen. Jonge mantelzorgers uit het kso en tso (23,2%) en uit het bso (24,3%) rapporteren vaker suïcidaal of zelfbeschadigend gedrag dan jonge mantelzorgers uit het aso (17,6%). Voorts zien we dat jonge mantelzorgers uit een ander gezinstype (25,3%) dit ook vaker doen dan jonge mantelzorgers uit een moeder-vadergezin (16,6%). De verschillen naar herkomst en naar het al dan niet werken van de ouders en naar of de jongeren thuis meer of minder taken opnemen zijn daarentegen niet significant.
Achtergrondinfo
Bron
De cijfers zijn gebaseerd op de studie Jongeren en Gezondheid die uitgevoerd wordt door de onderzoeksgroep Gezondheidsbevordering van de vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan Universiteit Gent met steun van de Vlaamse Overheid (Departement Zorg). De studie kadert binnen de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey. Dit is een internationaal onderzoeksnetwerk bestaande uit onderzoekers van 49 Europese en Noord-Amerikaanse landen en regio’s die vierjaarlijks peilen naar de gezondheid, het gezondheidsgedrag en de sociale omgevingen van 11-, 13- en 15-jarige jongeren. In Vlaanderen wordt deze leeftijdsrange uitgebreid en wordt een representatieve steekproef van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs bevraagd. De bevraging gebeurt via een gevalideerde vragenlijst die op school wordt afgenomen. Diverse thema’s komen aan bod zoals de demografische en de sociale context, het mentaal en het subjectief welbevinden, de fysieke activiteit en het sedentair gedrag, het gebruik van tabak, alcohol en drugs en dergelijke meer. In overeenstemming met het internationale studieprotocol, verloopt de bevraging in elk deelnemend land en bij elke nieuwe bevraging volgens een gestandaardiseerde methodologie en met eenzelfde vragenlijst. Hierdoor is het mogelijk om de bevindingen internationaal te vergelijken alsook om evoluties te monitoren (Roberts et al., 2009). Gezien het representatieve karakter van de studie Jongeren en Gezondheid, laat het ons toe een betrouwbare schatting te maken van het aantal mantelzorgers in de leeftijdsgroep van jongeren uit het vijfde leerjaar lager tot en met het zesde leerjaar secundair onderwijs. De netto steekproef in Vlaanderen bestaat in 2018 en 2022 respectievelijk uit 11.035 en 20.154 jongeren.
Definitie & berekening
Volgende vragen uit HBSC 2018 en 2022 werden gebruikt om zelfdodingsgedachten en zelfbeschadiging in te schatten:
- Heb je er wel eens over gedacht een einde aan je leven te maken?
Antwoordmogelijkheden: Nooit, ja, één keer, ja, meerdere keren, vaak, heel vaak. - Heb je zelf ooit opzettelijk te veel pillen geslikt of jezelf op een andere manier geprobeerd lichamelijk te beschadigen (bv. met een mes)?
Antwoordmogelijkheden: Nooit, ja, één keer, ja, meerdere keren, vaak, heel vaak.
Deze vragen werden enkel gesteld aan jongeren uit het secundair onderwijs. Voor de analyse van beide vragen werden de categorieën ‘ja, meerdere keren’, ‘vaak’ en ‘heel vaak’ samengenomen.
Het jonge mantelzorger zijn, is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- Is er iemand bij jou thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) die langer dan drie maanden lichamelijk en/of psychisch ziek of gehandicapt is? Voorbeelden van ziektes en handicaps zijn: kanker, suikerziekte, hartziekte, depressie, verslaving, autisme, verstandelijke beperking. Geef voor de onderstaande personen bij jou thuis aan of er bij hen sprake is van een ziekte of handicap: ikzelf, mijn vader/ moeder, mijn opa/oma die bij ons inwoont, mijn broer/zus, iemand anders die bij ons thuis woont.
Antwoordmogelijkheden: ja, neen. Om in te schatten welke jongeren jonge mantelzorger zijn werd geen rekening gehouden met de antwoordcategorie ‘ikzelf’. Wanneer bij minstens één van de overige antwoordmogelijkheden ‘ja’ werd aangekruist werd aangenomen dat de jongere een jonge mantelzorger is.
Het geslacht is gebaseerd op volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- ‘Ben je een jongen of een meisje?’
Antwoordmogelijkheden: jongen, meisje.
De leeftijd is het tijdstip van de bevraging (jaar en maand) min het tijdstip van geboorte van de jongere (jaar en maand). De leeftijd is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Welke maand is het vandaag?
Antwoordmogelijkheden: februari, maart, april, mei, juni. - In welke maand ben je geboren?
Antwoordmogelijkheden: januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december. - In welk jaar ben je geboren?
Voor het indelen in leeftijdsgroepen werd aangenomen dat een jongere hoogstens zes maanden van een bepaalde leeftijd afwijkt.
Het bepalen van herkomst is gebaseerd op volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- In welk land ben je geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … - In welk land is je moeder (of de partner van je vader) geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): … - In welk land is je vader (of de partner van je moeder) geboren?
Antwoordmogelijkheden: België, Frankrijk, Nederland, Italië, Marokko, Polen, ander land (vul in): …
Op basis van de antwoorden op deze vragen werden drie groepen onderscheiden:
- Belgische herkomst’: de jongere zelf en beide ouders zijn in België geboren.
- 'eerste generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in het buitenland geboren.
- 'tweede generatie buitenlandse herkomst’: de jongere is zelf in België geboren en één of beide ouders zijn in het buitenland geboren.
De onderwijsvorm werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- Welke onderwijsvorm volg je?
Antwoordmogelijkheden: A-stroom, B-stroom, Algemeen secundair onderwijs (aso), Kunst secundair onderwijs (kso), Technisch secundair onderwijs (tso), Beroeps secundair onderwijs (bso).
Jongeren uit het lager onderwijs werden via een afzonderlijke vragenlijst bevraagd en vormen een groep die bij het weergeven van de resultaten bijkomend wordt onderscheiden. Voor de analyses werd het kunst secundair onderwijs (kso) en het technisch secundair onderwijs (tso) samengenomen.
Het werken van de ouders werd bepaald op basis van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Heeft jouw vader (of de partner van je moeder) werk? En Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit. - Heeft jouw moeder (of de partner van je vader) werk?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen, ik weet het niet, ik ken deze persoon niet/zie deze persoon nooit.
Voor het weergeven van de resultaten werd enkel rekening gehouden met de ‘ja’ en ‘neen’ antwoorden. Er werden twee groepen onderscheiden: ‘vader en moeder werken’ en ‘één of beide ouders werken niet’.
Het gezinstype werd bepaald op basis van volgende vraag uit de HBSC-vragenlijst:
- ‘Vul deze vraag in voor het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt en duid de mensen aan die daar leven. Je mag meerdere antwoorden aanduiden.’
Antwoordmogelijkheden: moeder, vader, partner van vader, partner van moeder, pleegezin of opvangtehuis, bij iemand of ergens anders (bv. broer/zus of grootouders).
Voor de analyses werden jongeren die wonen bij hun moeder en vader ondergebracht in de groep ‘moeder-vadergezin’. De overige gezinssituaties werden ondergebracht in ‘ander gezinstype’.
Binnen de groep jonge mantelzorgers werd onderscheid gemaakt tussen jonge mantelzorgers die minder en meer dan 4u thuis wekelijks taken opnemen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van volgende vragen uit de HBSC-vragenlijst:
- Heb je thuis (het gezin waar je de hele tijd of de meeste tijd doorbrengt) taken en verantwoordelijkheden, zoals schoonmaken van het huis, een broer of zus helpen bij huiswerk of zorgen voor een ziek familielid?
Antwoordmogelijkheden: ja, neen.
Als het antwoord op deze vraag ‘ja’ is, dan moet de volgende vraag beantwoord worden: - Gelieve in te schatten hoeveel uren per week je in de voorbije maand besteed hebt aan taken thuis.
Antwoordmogelijkheden: minder dan 1 uur, ongeveer 1 uur, ongeveer 2 tot 3 uur, ongeveer 4 tot 5 uur, ongeveer 6 tot 7 uur, ongeveer 8 uur of meer.
Een onderscheid wordt gemaakt tussen jonge mantelzorgers die thuis veel helpen (minstens vier uur per week) en jonge mantelzorgers die thuis niet of weinig meehelpen (minder dan vier uur per week).
Interpretatie van de resultaten
De weergegeven cijfers zijn schattingen van populatiepercentages op basis van surveydata. Omdat elke schatting onderhevig is aan steekproefonzekerheid, wordt bij elk percentage een 95%-betrouwbaarheidsinterval weergegeven. Dit interval geeft de marge aan waarbinnen het werkelijke populatiepercentage met grote waarschijnlijkheid ligt. In de figuren is dit betrouwbaarheidsinterval grijs aangeduid rond elk schattingscijfer.
De cijfers zijn gewogen om mogelijke onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in de steekproef te corrigeren. Bij deze weging werd rekening gehouden met geslacht, leerjaar en onderwijsvorm. Daardoor sluiten de resultaten beter aan bij de samenstelling van de Vlaamse jongerenpopulatie waarop de cijfers betrekking hebben.